Ik ben een langzame lezer. Een boek uitlezen duurt wel even. Zeker als de schrijver mij te pakken heeft. Dan moet ik soms een moment het boek terzijde leggen en even weer tot mijzelf komen.
Van Bukowski kan ik hooguit twee gedichten op een dag lezen. Ik moet het wel allemaal kunnen verwerken.
Als langzame lezer moet je oppassen voor slecht geschreven rommel. Je zit er wat langer aan vast dan de gemiddelde lezer en het slechte ervan dringt dieper tot je door.
Ik kan er dan niet rustig onder blijven en voel mij gedwongen om iedereen aan de neus te hangen hoe slecht geschreven die rommel was, ja ik ga er daarna nog eens over schrijven ook en staat het in de krant, dan moet het uitgeknipt om na een jaar met al het uitgeknipte aan te kunnen tonen dat, ja wat eigenlijk, nou goed, dat er veel slecht geschreven rommel is.
Ik heb er een doos van staan. Je kan er verder niets meer. Het is tenslotte slecht geschreven rommel.
Nu dan heb ik besloten met slechts geschreven rommel anders om te gaan.
Slecht geschreven rommel werp ik ongelezen in een hoek van de kamer waarna het stuk papier onder mijn gebiedende blik, onderdanig en op eigen kracht, de oud-papierbak in kruipt. Als het niet wil luisteren wijs ik hem streng zijn plek. Kom op nu, zeg ik dan. En dan verdwijnt het tussen de oude kranten, mislukte verhalen en platgetrapte eierdozen.
Ik hoef mij er dan niet meer over op te winden en kan eens rustig overwegen wat ik verder met de dag zal doen.
(Op de televisie naar de Tros kijken.)
Reacties